Ontstaansgeschiedenis

De oudste vermelding van Obbicht dateert van 1366 (Opbyecht). Bicht verwijst waarschijnlijk naar de oorspronkelijke ligging bij een bocht in de Maas.

Obbicht is waarschijnlijk het dorp in het Rivierpark Maasvallei dat het meest verweven is met de Maas. In de 17de eeuw werd het Obbicht volledig weggevaagd tijdens een overstroming van de Maas en verdronk een groot aantal inwoners.

Tegenwoordig omarmen de Obbichtenaren de Maas die pal langs het dorp stroomt en prachtige panorama's biedt.

Op het gemeentewapen van Obbicht staan twee Gotische nissen.

In de linker staat Maria met het kind, in de rechter de Heilige Willibordus. Onder de beide nissen staat een wapenschild met het wapen Van der Donck, boven hermelijn en onder van goed. Het wapen dateert waarschijnlijk uit 1527.

15 januari 1643, een rampzalige dag uit de geschiedenis van Obbicht (Bron: Maaslandse Varia door L. Broekmeulen (uitgave St. Charles Beltjens; 2009))

Het dorp Obbicht werd op 15 januari 1643 geheel weggespoeld door de Maas. De dijk was doorgebroken en er bleef alleen een kale vlakte over. De kerk en alle huizen waren verwoest. Alleen een paar marmeren stenen van de kerk werden later teruggevonden. Hoeveel inwoners er verdronken is niet bekend, maar het moeten er veel geweest zijn.

Obbicht lag toen op een andere plaats als waar het nu ligt. De Maas boog bij kasteel Obbicht scherp af richting Stokkem en aan de noordkant ervan (waar nu Negenoord ligt) lag toen het dorp Obbicht. Het huidige Obbicht was toen nog een gehucht dat Overbroek heette. Daar werd het nieuwe Obbicht toen weer opgebouwd.

Niet alleen Obbicht, maar vele dorpen langs de Maas kwamen onder water te staan. Ook het kasteel van Elsloo (dat toen een bouwval was) verdween definitief in de Maas.

De pastoor van Stokkem schrijft over de ramp: “Zo hevig was die overstroming dat nooit iemand dusdanige beleefd had. Het water stond drie voeten hoog in de kerk en bedekte geheel de velden van Dilsen, Obbicht, het eiland Molenveld, Urmond, Vucht. Een gedeelte der kerk van Vucht en vele andere gebouwen werden omver gedreven en een groot getal (men zegt meer dan 500 personen) verdronken”.

De dijkdoorbraak die de ondergang van het dorp Obbicht heeft veroorzaakt is in het register van het zustersklooster van Stokkem in het jaar 1710 door zuster Wilgardus Frederickx uit oude aantekeningen opgetekend. Zij schrijft als volgt:

In het beginsel van het jaar 1643 den 15 Januarii isser voorghevallen soo grooten overvloedt van de Maese dat schier gans de Stadt Stockheim onder is geloopen ende het waeter gestaen heeft omtrent drij voeten hoogh binnen de Parochiale kercke der stadt gelijck aldaar nogh op den dagh van heden so te sien is onder het Beeldt van de H. Elisabeth staende op den hoek van de hooghen choor aen de rechter sijde soo men incomt langs den kant van de gewone kerckdeure alswaer tot gedachtenisse geshien wordt eene linie eenigshints in den witten staanden muer der kercke gegraveert met dit Jahrschrift daar bij int' Latijn hVC Mosa ter qVInta IanI eXVnDa Verat VsqVe (dat is te seggen int' Duytsch) Tot hier toe was de Maese overgheloopen den vijffthienden Januarii, De groote, of tellende cijfers = letters in t' Latijn maecken het getal 1643. Door desen overloop bij groot waeter, is een deel van eenen dyck (Bighter Dyck) wat laegher als de Stadt Stockheim geleghen, doorgebroken: soo is de Maese niet alleen verandert van loop, maar heeft den stroom vanaf dien tijdt haar richting beghonnen voorder af van Stockheim, als sij tot nogh toe hadde geloopen: maar heeft oock groote schaede over al veroorsaeckt, naementlijck oock aen de Religieusen

De Maas heeft tussen Berg en Grevenbicht vaak zijn loop veranderd. In de 15e eeuw waren er twee maasarmen. Een liep vanaf Berg richting Meeswijk en verder langs Stokkem naar het noorden. De andere tak liep tussen Berg en Obbicht waar nu de Maas ligt, maar boog bij Obbicht af richting Stokkem. Tot ongeveer 1600 was de westelijke arm de hoofdstroom; alleen bij hoog water was er ook stroming in de oostelijke tak. Het kasteel van Stokkem had toen vaak wateroverlast. In 1446 werd daar de Maas zelfs een stuk omgelegd (met de schop!).

Na die tijd werd de oostelijke tak de hoofdstroom. De westelijke arm wordt dan op landkaarten vaak aangeduid als “Oude Maas”. Iets soortgelijks gebeurde bij de Boijen. Eerst stroomde de Maas aan de westkant erlangs. De Boijen hoorde dan ook bij Grevenbicht. Later kwam de Maas tussen de Boijen en Grevenbicht te liggen.

Er werden overal dijken aangelegd om het water buiten het dorp te houden. Die dijken waren meestal enkele kilometerslang en lagen alleen op gevaarlijke plaatsen bij de dorpen. Rond 1560 werd b.v. een dijk tussen Meeswijk en Stokkem aangelegd (de Daalderdijk). Toen de Maastak langs Obbicht de hoofdstroom werd, werd ook hier een dijk aangelegd. Die kon echter in 1643 het water niet tegen te houden.

Ook in de eeuwen daarna bleef men tegen het water strijden. In 1725 en 1726 waren er drie keer grote dijkdoorbraken en overstromingen. Op 15 juni 1729 werd er op kasteel Obbicht vergaderd door de graaf van Leerodt en de schepenen van Grevenbicht en Obbicht en werd besloten een nieuwe dijk aan te leggen kort achter de dijk die in 1726 doorgebroken was. De nieuwe dijk hield het tot 1740 toen hij ook weer bij een overstroming wegspoelde. In 1751 brak de dijk weer op 5 plaatsen door. De hertog van Gulik, waaronder Grevenbicht viel, stuurde een brief naar het Gelders Hof in Roermond (Obbicht hoorde bij het hertogdom Gelre) om te klagen over het slechte onderhoud van de dijk bij Obbicht. Rond 1772 werd de dijk weer versterkt.

Tot de winter 1816/1817 liep de Maas vanaf Obbicht in een scherpe bocht naar Stokkem zoals op het kaartje uit 1796 te zien is. In die winter heeft de Maas deze bocht afgesneden. Op het kaartje van 1891 zijn de resten van de “Oude Maas” bij Stokkem en bij de Boijen nog duidelijk te zien.

De loop van de Maas in 1796

De loop van de Maas in 1891

Dijkbewaking Obbicht in 1935

Dijkbewaking Obbicht in 1935

7 oktober 1825, nog een rampzalige dag uit de geschiedenis van Obbicht (bron Graetheide Comité) 

Het is vrijdag 7 oktober 1825. Het belooft vandaag een gure herfstdag te worden. Een strakke zuidwestenwind striemt het Maasdal. Het is alsof de dorpen meer dan anders wegduiken om extra bescherming te zoeken achter de dijken van de rivier. Ze lijken wel uitgestorven, want geen sterveling rept zich zonder noodzaak door de modderige straten. Ook het Maasdorpje Obbicht ligt er als verlaten bij… Geen hond op straat. Zelfs de kippen, die normaal in de stoffige straten kakelend en schaterend genoeg van hun gading vinden, blijven weg.

En de gevels van de huizen getuigen bepaald niet van enige welstand van de bewoners. Het zijn eenvoudige boerderijtjes en nog eenvoudiger woninkjes, veelal van hout en bedekt met strooien daken, die het aanzien bepalen van de slechts enkele straten die het dorp telt. Zij dienen voor het merendeel tot woning voor de vele keuters en dagloners. Hier en daar doorbreekt een enkele grotere boerenhoeve enigszins de eentonigheid van het straatbeeld. Op korte afstand van de dorpskom liggen enkele rijke boerenhofsteden, zoals de Hogenbergerhof op de rand van de gemeente Born en langs de beek de pachthoeve van het kasteel. In de Heereweerdt van Obbicht pal op de oostelijke oever van de Maas ligt de Cannenoort Hof, een kapitale hoeve met veel landerijen.

Vanwege het gure weer laten de meeste dagloners, keuters en boeren de akkers voor wat ze zijn en zitten, tevreden een pijp rokend, weggedoken achter de hout gestookte stoof, of hebben hun bezigheid op het erf of in de stal. In de schuren ligt de n bovenal de zekerheid de naderende winter goed door te komen. Ook herder Willem Bees heeft zijn schapen op stal gehouden.

Obbicht in 1820 (vijf jaar voor de brand). Als we Harrecoven niet meetellen waren er nauwelijks meer dan 35 huizen in het dorp.

Dorpskruidenier Pierre van Acker kan vandaag de klanten op de vingers van zijn handen tellen. Eén de weinige neringdoenden die van het gure herfstweer geen hinder heeft is Nol Haerden die in zijn knusse werkplaats met vaardige hand de schietspoel op zijn weefgetouw bedient. Ook Harrie Maessen, die als schoenmaker trouw bij zijn leest blijft, fluit goed gemutst zijn vaste deuntje.

In de verte laat smid Corneel Jaspers zijn moker in een vast ritme dansen op het aambeeld. Het zijn deze mokerslagen die samen met het regelmatig slaan van het uurwerk in de kerktoren in staat zijn de jagende en huilende stormwind te overstemmen.

En dan heb je nog Frans Ecrevisse die de afgelopen dagen huis aan huis genoeg lompen heeft opgehaald om op ’t Greuske zijn papiermolen draaiend te houden. Terwijl hij drukdoende is, dwalen zijn gedachten regelmatig af naar het verre en voor hem onbekende Leuven, de stad waar zijn zoon Pieter verblijft en studeert aan de universiteit. Graag had hij hem het vak van papierfabrikant geleerd, maar als kind van vier raakte de kleine Pieter op een onbewaakt ogenblik met zijn rechterhand onder de stamphamers van de molen en verbrijzelde drie vingers. Een fataal moment, waar Frans nog steeds om treurt en waarvan hij nog regelmatig nachtmerries krijgt, om maar niet te spreken van de schuldgevoelens die hij eraan over heeft gehouden.

De papiermolen ligt op het vroegere grondgebied van het kasteel, dat jaren geleden werd gekocht door de huidige bewoner Jacob Beelaerts van Blokland, een heer van stand, van Haagse komaf, voorheen schout en sinds kort burgemeester van Obbicht en Papenhoven, weliswaar protestant, maar goed in de omgang met dorpsbewoners. Een man ook met een uitstekende reputatie als militair, die de bizarre tocht naar Moskou in het leger van Napoleon heeft overleefd.

Aan de noodzijde van het dorp ligt ’t Lauwierken, de schans, waar de inwoners van Obbicht vroeger in tijden van dreigend oorlogsgevaar binnen de omgrachting en de opgegooide wal bescherming zochten tegen doortrekkend krijgsvolk.

Het loopt tegen twaalven als koster Mertien Hubens in zijn schamele jas gedoken en met de hand aan de pet zich naar het kerkje haast om het angelusklokje te luiden en de dorpelingen tot gebed te manen, daarbij gadegeslagen door pastoor Joannes Mulkens die voor zijn dagelijks breviergebed is uitgeweken naar de serene stilte van het eeuwenoude kerkje aan de Dorpsstraat. Daarna lijkt het alsof het dorp helemaal is uitgestorven. Haast iedereen wordt door de aanhoudende storm in slaap gesust en houdt van lieverlee een langer middagdutje dan gebruikelijk.

Het loopt tegen enen als het noodlot op dit heldere uur van de dag geheel onverwacht genadeloos toe slaat. Terwijl de papiermolen van Frans Ecrevisse op ’t Greuske op volle toeren draait en de stamphamers in de hamerbakken bonkend de lompen, lappen en snippers stof tot losse vezels stampen, maakt buiten de tot stormkracht aanzwellende zuidwestenwind zich meester van de nog nagloeiende as uit de asketel van de molen en jaagt het vernielende element over de daken van de molen en de belendende huizen langs de beek.

Eer Frans Ecrevisse en de naaste buren in de gaten hebben welke ramp zich begint te voltrekken staan de molen en de huizen in de naaste omgeving al in lichter laaie. Als een zweep jaagt de stormwind de vlammen over de merendeels met stro bedekte daken van de huizen aan de Dorpsstraat en langs de beek. “Brand!, brand!!, brand!!!” wordt er geroepen, waarop hevig geschrokken mannen, vrouwen en kinderen in doodsangst hun huizen ontvluchten. Luidkeels “help, help” schreeuwend, grissen zij nog een emmer weg en rennen in radeloosheid naar de beek in een ultieme poging om te blussen wat nog te blussen valt. IJdele hoop…, want dichte, verstikkende rookwolken bemoeilijken het ademhalen en belemmeren het zicht in de straten, terwijl verdwaasd rondrennende mensen de gang naar en van de beek blokkeren. In een mum van tijd staan nagenoeg alle huizen in brand, enkele verspreid staande woningen uitgezonderd. Ook de kerk en de pastorie, twee van de weinige stenen gebouwen, worden door de vlammen verteerd. Nauwelijks is er oog en oor voor het donderend geraas waarmee de fiere kerktoren als een kaartenhuis in de vlammenzee ten onder gaat.

Inmiddels lopen mensen uit de buurdorpen Grevenbicht, Papenhoven, Buchten, Born, Graetheide, Nattenhoven en Berg bij honderdtallen te hoop, zonder ook maar iets tot redding te kunnen bijdragen. Het enige mogelijke voor hen is troost en hulp te bieden aan radeloze familieleden of willekeurige inwoners, die jammerend en weeklagend door de straten dolen of in de smeulende en brandende, schamele resten van hun huizen nog zoeken naar iets tastbaars. Zelfs de Stokkemenaren zijn massaal uitgelopen en slaan vanaf de oever aan de overzijde van de Maas in grote verbijstering het inferno gade. Nauwelijks een uur heeft de brand nodig om het kleine Obbicht tot een spookdorp te maken. Als de vlammenzee dooft en rookgordijnen zijn opgetrokken, ontwaren de inwoners ook de persoon van burgemeester Jacob Beelaerts, die vanaf het gespaard gebleven kasteel is toegesneld om hulp te bieden. Zwaar aangeslagen door de aanblik van het geruïneerde dorp gaat hij troostend rond, spreekt de inwoners bemoedigend toe en belooft hen onmiddellijke hulp in de rampspoed die hen op slag dakloos en brodeloos heeft gemaakt.

Tegen het vallen van de avond op deze zo rampzalige dag liggen de kerk, de pastorie en 34 huizen volledig in as. Huizen van keuters en boeren, waarin de rijke oogst lag opgeslagen, voldoende leeftocht biedend voor de naderende wintermaanden. 43 Gezinnen zitten onder Gods blote hemel op de puinhopen van hun verloren gegaan bezit; troosteloos treurend en de hemel smekend om hulp en bijstand. En toch met een ondertoon van dankbaarheid, dat er geen dodelijke slachtoffers waren te betreuren.

Pastoor Stanislas van Cooth van Papenhoven-Grevenbicht maakt dezelfde dag bij thuiskomst als ooggetuige in het doopregister de volgende aantekening:

“Op de 7de Oktober 1825 rond één uur ’s middags is ongeveer de gehele parochie Obbicht, 38 huizen met de kerk en de pastorie door vlammen verwoest. Die brand ontstond vanuit de haard of de bakoven van Franciscus Ecrevisse op het Greuske aan de Beek, terwijl de wind zeer hevig waaide uit het Westen. Vanaf dat tijdstip wordt voor die ongelukkige parochie het misoffer verzorgd in de hulpkerk van Papenhoven, terwijl Joannes Mullekens, de zeereerwaarde pastoor van de onfortuinlijken, tijdelijk woonachtig is bij de weduwe van Elsen te Papenhoven". 

Daags na de brand in Obbicht vergaderde Gedeputeerde Staten van Limburg al over een hulpplan, dat in de krant "Journal de la Province de Limbourg" op 9 oktober gepubliceerd werd. Deze krant (die voor het grootste deel in het Frans geschreven was) publiceerde ook regelmatig welke giften erbinnen gekomen waren. Omdat dit voor de afscheiding van België was, kwamen ook veel giften van de andere kant van de Maas.

Jean Knoors, Uchteraovend 2008.